Het wetsvoorstel 'goed onderwijs, goed bestuur' (de ‘governancewet’ voor het primair en voortgezet onderwijs en de expertisecentra) is gepubliceerd in Staatsblad 2010, 80. De wet treedt op 1 augustus 2010 in werking. Dat is inmiddels bepaald bij Koninklijk Besluit (Staatsblad 2010, 282). Onderwijsbesturen moeten binnen een tijdsbestek van een jaar voldoen aan de nieuwe voorschriften van de bestuurlijke organisatie; derhalve voor 1 augustus 2011.
Belangrijk onderdeel van deze wet betreft de verplichte scheiding van bestuur en intern toezicht . Deze scheiding wordt een bekostigingsvoorwaarde. De vorm waarin organisaties de scheiding van bestuur en intern toezicht regelen, is vrij. Daarbij is rekening gehouden met de bestuurlijke diversiteit in deze sectoren.
De scheiding kan op twee manieren:
- via een functionele scheiding
- via een organieke scheiding (het Raad van Toezicht-model)
De wet heeft naast (en in het verlengde van) de verplichte scheiding van bestuur en intern toezicht, de volgende hoofdpunten:
- Schoolbesturen moeten voortaan in overeenstemming handelen met de afspraken uit de code goed bestuur die zij hanteren. Zowel de PO- als VO-Raad hebben voor hun leden een Code opgesteld die voor de leden van toepassing is. In hun bestuursverslag moeten de schoolbesturen zich o.a. verantwoorden volgens het principe´pas toe of leg uit´. De minister krijgt in dit wetsvoorstel de bevoegdheid om via een Algemene Maatregel van Bestuur een sectorcode voor goed bestuur aan te wijzen.
- Benoeming in functies van toezicht op bestuur, geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte profielen. De (G)MR krijgt een adviesrecht op de vaststelling van de competentieprofielen van de toezichthouders en het toezichthoudend orgaan. Indien wordt gekozen voor een raad van Toezichtmodel, moet de (G)MR in de gelegenheid worden gesteld een bindende voordracht te doen voor één zetel in de Raad van Toezicht.
- Bestuursleden die door een Raad van Toezicht zijn benoemd op basis van een arbeidsovereenkomst of een akte van aanstelling, worden personeel in de zin van de onderwijswetgeving.
- Delegatie van bevoegdheden van bestuur naar directeur (of bovenschools management) én van directeur (of bovenschools management) naar adjunct-directeur wordt expliciet mogelijk. Dat schept nieuwe mogelijkheden voor de verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden in het managementstatuut.
- Het toezichthoudend orgaan moet jaarlijks verantwoording afleggen over de uitvoering van de taken en uitoefening van bevoegdheden.
- De minister van OCW krijgt het instrument van de aanwijzing. Die aanwijzing kan hij geven aan een onderwijsorganisatie indien er sprake is van bestuurlijk wanbeheer van een of meer bestuurders of interne toezichthouders van de rechtspersoon. Het begrip wanbeheer wordt vervolgens nader gedefinieerd (o.a. financieel wanbeleid, ongerechtvaardigde verrijking, onrechtmatig handelen, ernstige verwaarlozing van omgangsvormen). Een aanwijzing omvat een of meer maatregelen en is evenredig aan het doel waarvoor deze wordt gegeven. Volgens de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel zou een aanwijzing kunnen bestaan uit de opdracht aan de rechtspersoon om één of meer bestuurders of toezichthouders te vervangen of de opdracht om een externe deskundige in te schakelen om orde op zaken te stellen. Indien de aanwijzing niet wordt opgevolgd kan de minister een bekostigingssanctie treffen.
- Er worden eisen geformuleerd voor de minimumkwaliteit van het onderwijs op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs (nog niet voor de scholen die vallen onder de Wet op de expertisecentra). De wet formuleert wanneer sprake is van onvoldoende leerresultaten en van ernstig of langdurig tekortschieten van de kwaliteit van het onderwijs. De overheid stelt regels over de wijze waarop leerresultaten worden gemeten c.q. worden aangetoond. Met ingang van 1 augustus 2010 gelden ook de uitwerkingsvoorschriften over wat goed onderwijs is (Besluit van 1 juli 2010 tot wijziging van het Besluit bekostiging WPO en het Inrichtingsbesluit W.V.O. houdende vaststelling van de wijze van meting en beoordeling van leerresultaten).
- Wanneer een school slechte onderwijsprestaties levert en het onderwijsleerproces onvoldoende op orde heeft, spreekt de Onderwijsinspectie het schoolbestuur daarop aan. Indien het bestuur er niet in slaagt de kwaliteit tijdig te verbeteren, schakelt de inspectie de minister in. De minister heeft vervolgens de mogelijkheid om bij ernstig of langdurig tekortschietende kwaliteit, de bekostiging van de school te beëindigen.
- Indien de Onderwijsinspectie een school bestempeld als 'zeer zwakke school', krijgt het schoolbestuur een informatieplicht richting de ouders. Daartoe moet in elk geval de publieksversie van het inspectierapport binnen 4 weken na vaststelling aan de ouders worden toegezonden.
- De werking van de wet wordt binnen 5 jaar na inwerkingtreding geëvalueerd op effectiviteit en mogelijke ongewenste neveneffecten.
Mr. C.A.M. van Vught is tevens secretaris van de Klachtencommissie Governance en Beloning MBO, ingesteld door de MBO Raad en het Platform Raden van Toezicht MBO-instellingen.
Op verzoek kunnen referenties worden verstrekt.
Voor vrijblijvende informatie kunt u contact met ons opnemen.
Bestuur en toezicht